Oriënteren

Reflecteren

Voorbereiden

Uitvoeren

Afsluiten

Eisen

Planning

MASTERCLASS ART

Thema Leven

Bij dit onderzoek leer je alles over hoe het is om een kunstenaar te zijn. Je maakt elke les nieuwe werken en werk je met de beeldende aspecten.

Inleiding

Bij dit thema ga je onderzoek doen hoe het is om beeldend werk te maken. Je leert een aantal kunstenaars kennen die je gebruikt als inspiratie.
In tegenstelling tot andere onderzoeken bij Art ga je meteen aan de slag en weet je niet precies waar je gaat eindigen. Elke dag maak je een nieuw kunstwerk, en aan het einde van het thema heb je een proces doorgelopen en verschillende dingen uitgeprobeerd.
Je maakt kennis met verschillende beeldende aspecten en daarmee ga je veel werken.

Uiteindelijk heb je een grote hoeveelheid kunstwerken die het proces laten zien van hoe je je ontwikkeld hebt en hoe je bepaalde keuzes hebt gemaakt.

Doelen
Aan het einde van dit onderzoek:

- heb ik kennis van verschillende kunstenaars
- kan ik werk van een kunstenaar nabootsen
- kan ik zelf veel nieuw werk maken
- weet ik hoe ik moet experimenteren met materialen en technieken
- kan ik omgaan met de materialen in het lokaal
- heb ik kennis van de verschillende beeldende aspecten
- kan ik werken met verschillende beeldende aspecten en weet hoe ik creatief gebruik kan maken van deze aspecten
- kan ik een logboek bijhouden waar al mijn ervaringen en gedachtes instaan
- kan ik reflecteren op mijn werk en het proces, wat mij kan helpen bij een volgend onderzoek

 

Jean-Michel Basquiat in zijn atelier

Alexander Calder in zijn atelier

Oriënteren

Kunstenaars zijn altijd bezig met het werken aan een proces. Ze hebben nooit in één keer hun stijl gevonden. Alle kunstenaars moeten groeien naar hun eigen manier van kunst maken. Om bij hun eigen stijl te komen maken ze ontzettend veel beelden. De techniek kan veranderen, maar ook de grootte of het materiaal van het werk.

Als je als kunstenaar veel verschillende dingen probeert en verandert heet dat experimenteren. Je bent dan eigenlijk bezig met nieuwe dingen en je ziet terwijl je bezig bent wat de resultaten zijn. Je probeert nieuwe materialen, vormen, technieken, enzovoorts.

 

Start
Je gaat beginnen bij een startpunt. Dit startpunt is er zodat je meteen een begin kan maken met je onderzoek, je zit dus meteen in het proces van kunst maken.

Je kunt kiezen tussen drie startpunten. Het startpunt is een kunstenaar waarvan je het werk op de eerste dag kopieert. Als je deze start hebt gemaakt ga je elke dag verder met het ontwikkelen van je eigen werk. Je gaat je werk uitbreiden, omgooien, veranderen, aanpassen.

De kunstenaar die je uitkiest als startpunt werkt als inspiratiebron. Zelf ga je nieuw werk maken dat helemaal van jou is.

Probeer zo creatief mogelijk om te gaan met de materialen en het proces.

Als je moeite hebt met het vinden van nieuwe oplossingen, kunt je natuurlijk altijd kijken naar wat de kunstenaar van je startpunt nog meer heeft gemaakt. Ook bevriende kunstenaars kunnen je helpen met het vinden van nieuwe beelden! Ga op zoek en je komt een hoop tegen!

Hier rechts zie je drie werken van Pablo Picasso. Picasso was een Spaanse schilder, beeldhouwer, graficus en decorontwerper. Hij heeft veel verschillende stijlen gehad en hij hield nooit op met experimenteren. Je kan goed zien dat hij veel verschillende dingen probeerde.
Door zijn veelzijdigheid was (en is) hij een grote inspiratie voor veel kunstenaars en ontwerpers.

Pablo Picasso, "La Celestina" 1904

Pablo Picasso, "Demoiselles d'Avignon" 1907

Pablo Picasso, "Baboon and Young" 1951

Voorbereiden

Je maakt als eerste een keuze nadat je alles goed hebt doorgelezen. Als je de keuze hebt gemaakt, kun je nog meer informatie en afbeeldingen opzoeken op het internet. Dan weet je wat de mogelijkheden allemaal zijn.

De 3 startpunten zijn:

Alexander Calder

Henri Matisse

Jean-Michel Basquiat

Alexander Calder (1898-1974) was een Amerikaanse kunstenaar die een tijd rondliep met een bal ijzerdraad en een tang. Wanneer hij bij mensen was maakte hij hiermee portretten van deze mensen. Zo heeft hij er verschrikkelijk veel gemaakt.

Alexander Calder maakte ook andere kunstwerken. Met zijn kennis over metalen maakte hij met vlakke en organische vormen kunstwerken die hij in de ruimte hing, soms vanaf het plafond en soms op een drievoet. Uiteindelijk werden het beweegbare kunstwerken toen de sokkels verd- wenen en deze noemde hij mobiles. Door de lichte metalen onderdelen liet Calder de kunstwerken bewegen door luchtstromingen. Sommige van zijn kunstwerken hadden een beetje fantasie in zich.

Jij gaat als startpunt een portret maken met de techniek die Calder gebruikte/hanteerde. Vervolgens ga je verder experimenteren en kun je bijvoorbeeld denken aan het werken met lichte materialen, andere materialen, etc.

Henri Matisse (1869-1954 ) wordt soms “een van de grootste kunstenaars van de 20ste eeuw” genoemd. Hij hoorde bij kunstenaarsgroep de Fauvisten (de wilde dieren) en deze kunstenaars werden bekend door hun heftige kleurgebruik en hun ruwe verfbehandeling.

Matisse was een kunstenaar die nooit ophield met zich te ontwikkelen. Hij bezat een prachtige balans tussen inspiratie en ambacht, tussen decoratie en uitdrukkingskracht en tussen traditie en vernieuwing. Zijn kunst was niet alleen interessant voor de kunstkenner, maar ook voor de leek.

Matisse werkte door tot aan de laatste dagen van zijn leven. Ook toen hij zijn schildershand niet langer kon gebruiken, begon hij figuren met de schaar uit papier te knippen, het leek alsof hij compleet opging in een spel. Dit late werk is een opvallend hoogtepunt in zijn carrière.

Als startpunt neem je de laatste werken van Matisse. Je gaat beginnen met het uitknippen van gekleurd of beschilderd papier. Vervolgens kun je verder gaan met het schilderen van vormen, kleuren, decoraties, etc.

Jean Michiel Basquiat (1960 - 1988) was van oorsprong graffitikunstenaar die grafische beeldverhalen over het leven van minderheden op het doek schilderde.

Hij woonde in New York dat destijds het centrum van de kunstwereld was. Hij schreef kritische en gevatte teksten op de muren en metrostations en ondertekende deze met SAMO. Van de ene op de andere dag werd hij ontdekt door de New Yorkse kunstscene en was hij beroemd.

Zijn schilderwerken zijn erg expressief en kleur- rijk. Hij schilderde heel snel en chaotisch. Toch had zijn werk een doordachte lijn die een verhaal vertelde, vaak ook het verhaal van Basquiat zelf. Hij schilderde op stukken afval, gescheurd papier of koelkastdeuren.

Als je Basquiat als startpunt neemt, ga je met verf een schilderij maken op afvalmateriaal. Je maakt persoonlijk werk waar een verhaal in zit. Je werkt met symbolen en grafische elementen. Vervolgens kun je verder werken met ander materiaal, zoals spuitbussen en krijt, en op andere ondergronden, zoals glas, blik, stoelen, etc.

Uitvoeren

1

2

3

4

Je begint met je keuze. Je gebruikt dezelfde techniek en stijl als de kunstenaar die je hebt gekozen. Je bent eigenlijk de kunstenaar aan het nadoen. Wanneer je bezig bent met het eerste werk gaan dingen opvallen: hoe het materiaal werkt en aanvoelt en wat je gereedschap (schaar, kniptang, penseel, etc.) precies doet bijvoorbeeld. Kijk goed en wees je bewust van waar je mee bezig bent.

Als je het eerste kunstwerk hebt gemaakt, ga je verder werken vanaf dát punt. Je hebt een kunstwerk gemaakt, maar wat kan je er verder mee doen? Bedenk nieuwe technieken, vormen, manieren om je kunstwerk aan te passen. Je leert alles over verschillende beeldende aspecten waar je moet mee gaan werken.

Je houdt het hele onderzoek een logboek bij. Je schrijft je gedachtes, je ervaringen en je leermomenten op.

Bij elke les en elk nieuw werk dat je maakt werk je met een aantal beeldende aspecten. Deze aspecten helpen je om keuzes te maken en maken je werk beter.

Het aspect lijn en twee verschillende deelbegrippen

Het aspect vormaspect en drie verschillende deelbegrippen.

Het aspect vormcontrasten en drie verschillende deelbegrippen.

Het aspect compositie en drie verschillende deelbegrppen.

Afsluiten

Je hebt nu een hoop werk gemaakt en je kan zien waar je begon met het onderzoek en waar je bent geëindigd. Je presenteert je werk aan de groep als een proces, dus chronologisch. Je vertelt je ontwikkelingen, ideeën, gedachtes, etc. Je laat schetsen zien en je kunt onderbouwen waarom je verschillende keuzes hebt gemaakt.

Reflecteren

Nadat je je werk hebt gepresenteerd, heb je genoeg informatie om nog eens terug te kijken naar dit thema. Wat ging er goed? Wat zou je volgende keer anders willen doen? Je schrijft dus eigenlijk een pagina met alles wat je hebt geleerd dit thema. Je kunt altijd teruglezen wat je nu opschrijft en daarvan leren.